Nederlandse 15-jarigen behoren voor wiskunde nog altijd tot de betere presteerders. Toch haalt bijna één op de drie leerlingen het basisniveau niet. PISA 2025 laat daarmee twee werkelijkheden tegelijk zien: het Nederlandse gemiddelde is internationaal sterk, maar een grote groep jongeren mist de wiskundige vaardigheden die nodig zijn om volwaardig mee te doen. Wat betekent dat voor het rekenonderwijs—en waarom begint een passend antwoord al vóór groep 3?
Nederland blijft sterk, maar herstel blijft uit
Op 8 september 2026 verschenen de resultaten van PISA 2025. In dit internationale onderzoek worden de kennis en vaardigheden van 15-jarigen onderzocht op het gebied van natuurwetenschappen, lezen en wiskunde.
Nederland behaalt voor wiskunde een gemiddelde score van 483 punten. Daarmee presteren Nederlandse leerlingen hoger dan hun leeftijdsgenoten in de veertien EU-landen die sinds 2006 aan PISA deelnemen. Geen van die EU14-landen scoort hoger dan Nederland. Van alle 91 deelnemende landen en economieën behalen er negen een hogere wiskundescore.
Dat klinkt geruststellend, maar het beeld is niet alleen positief. De Nederlandse prestaties zijn statistisch gelijk gebleven ten opzichte van 2022. De forse daling die toen zichtbaar werd, is dus niet verder aantoonbaar doorgezet, maar van herstel is evenmin sprake.
Het gemiddelde verbergt een kwetsbare groep
Een landelijk gemiddelde zegt weinig over de spreiding tussen leerlingen. Juist daar ligt een belangrijke waarschuwing. In Nederland haalt 30% van de 15-jarigen niveau 2 voor wiskunde niet. PISA beschouwt dit als het basisniveau dat jongeren nodig hebben om wiskundige kennis in herkenbare situaties te gebruiken.
Tegelijkertijd bereikt 13% minimaal niveau 5. Nederland heeft dus relatief veel sterke rekenaars, maar ook een grote groep leerlingen die onder het basisniveau blijft. De onderwijsopgave is daarom niet samen te vatten als “Nederland kan niet rekenen”. De preciezere conclusie is: Nederland presteert gemiddeld goed, maar slaagt er onvoldoende in om alle leerlingen een stevige rekenbasis te bieden.
PISA meet meer dan het maken van sommen
PISA onderzoekt wiskundige geletterdheid. Leerlingen moeten wiskunde herkennen, formuleren, toepassen en interpreteren in uiteenlopende situaties. Dat vraagt niet alleen om het beheersen van rekenprocedures. Ook getalbegrip, taal, flexibel denken, strategiegebruik en het kunnen doorzien van relaties zijn belangrijk.
Dat onderscheid doet ertoe. Een leerling kan een aangeleerde bewerking uitvoeren en toch vastlopen wanneer dezelfde rekenkennis in een onbekende context moet worden gebruikt. Goed rekenonderwijs vraagt daarom om een combinatie van inzicht, inoefening, automatisering en toepassing.
De basis wordt vroeg gelegd
PISA toetst 15-jarigen. Het onderzoek vertelt niet welke individuele leerling in de kleuterperiode extra ondersteuning nodig had en bewijst evenmin dat één vroege interventie latere PISA-resultaten verbetert. Toch is er vanuit ontwikkelingsonderzoek een goede reden om al vroeg aandacht te hebben voor getalbegrip.
Voorbereidende rekenvaardigheid vormt de overgang van informeel leren naar het formele rekenen in groep 3. Kinderen leren onder meer hoeveelheden vergelijken, tellen, getallen aan hoeveelheden koppelen, ordenen, schatten, meten en rekenbegrippen gebruiken. Wanneer die samenhang onvoldoende ontstaat, kan een kind bij de start van het formele rekenen al op achterstand staan.
Vroeg handelen betekent daarbij niet: alle kleuters voortdurend toetsen. Het betekent wel: gericht onderzoeken wanneer observaties of rekenactiviteiten aanleiding geven tot twijfel, en ondersteuning laten aansluiten op wat het kind daadwerkelijk beheerst.
Het werk van prof. dr. J.E.H. van Luit
Prof. dr. Johannes E.H. van Luit is hoogleraar diagnostiek en behandeling van kinderen met dyscalculie aan de Universiteit Utrecht. Zijn werk richt zich op rekenontwikkeling, rekenproblemen, diagnostiek en gerichte behandeling. Een terugkerend uitgangspunt is dat zwakke rekenprestaties niet voldoende verklaren waarom een leerling vastloopt. Daarvoor is zicht nodig op het rekenproces, de onderliggende vaardigheden en de instructiebehoefte.
Onderzoek van Sylke Toll en Hans van Luit naar remediërende ondersteuning bij kleuters met een benedengemiddeld getalbegrip laat zien dat zowel een korte als een langere interventie vooruitgang kan bevorderen. De langere interventie leidde tot meer groei. Ook specifieke rekentaal en verbaal werkgeheugen bleken samen te hangen met de vooruitgang die kinderen boekten.
In een grootschalige longitudinale studie werden kinderen willekeurig toegewezen aan een lange interventie, een korte interventie of regulier onderwijs. De interventiegroepen presteerden na afloop en bij follow-up beter op vroege rekenvaardigheid dan de controlegroep. De auteurs benadrukken tegelijk dat interventies bij voorkeur goed moeten aansluiten op het reguliere rekenonderwijs. Dat is een belangrijke nuance: een programma is geen losstaand wondermiddel, maar onderdeel van een doelgerichte onderwijsaanpak.
Eerst begrijpen wat een kind nodig heeft
De Utrechtse Getalbegrip Toets 3 (UGT-3) past binnen die diagnostische benadering. De methode-onafhankelijke, individueel afgenomen toets brengt bij kinderen in groep 1, 2 en—bij achterblijvende rekenvaardigheid—groep 3 verschillende onderdelen van voorbereidende rekenvaardigheid in kaart.
De toets omvat tien onderdelen: vergelijken, hoeveelheden koppelen, correspondentie, ordenen, telwoorden gebruiken, synchroon en verkort tellen, resultatief tellen, getalkennis toepassen, schatten en meten. De huidige versie is gebaseerd op een normeringsonderzoek met ruim 1.200 kinderen van 4½ tot 7½ jaar op 36 scholen. Volgens de productdocumentatie liggen de betrouwbaarheden rond .90 en zijn de begripsvaliditeit en predictieve validiteit als goed beoordeeld.
De waarde zit niet in het etiket “goed” of “zwak”, maar in het gerichter kunnen beantwoorden van vragen als: waar zit de ontwikkeling al op koers, waar ontstaan hiaten en welke instructie past daarbij?
Daarna doelgericht ondersteunen
Wanneer blijkt dat een kleuter achterblijft in voorbereidende rekenvaardigheid, biedt Op weg naar rekenen een gestructureerd remediërend programma. Het programma is ontwikkeld binnen een onderzoeksproject van de Universiteit Utrecht en werkt met herhaling, kleine taakgerichte doelen, reken-gerelateerde taal en concreet materiaal.
Het doel is niet om kleuters zo vroeg mogelijk formele sommen te laten maken. Het programma ondersteunt juist de concepten die daaraan voorafgaan: tellen, hoeveelheden, getallen tot en met 20, getalrelaties, structuren, meten en de verschillende betekenissen en functies van getallen.
De combinatie van signaleren en interveniëren is didactisch logisch: eerst zorgvuldig vaststellen wat een kind beheerst, vervolgens passende ondersteuning bieden en daarna nagaan of de aanpak tot vooruitgang leidt. De UGT-3 kan daarbij ook worden gebruikt om groei na aangepaste instructie of een rekenhulpprogramma te volgen.
Van vroege basis naar wiskundige redzaamheid
De PISA-resultaten geven geen eenvoudige methodekeuze en ook geen snelle oplossing. Ze maken wel zichtbaar waar de opdracht ligt. Een sterk gemiddelde is waardevol, maar pas echt betekenisvol wanneer zo veel mogelijk leerlingen beschikken over voldoende wiskundige redzaamheid.
- een stevige basis in getalbegrip en rekentaal;
- tijdige signalering zonder onnodig labelen;
- instructie die aansluit op verschillen tussen leerlingen;
- voldoende oefening én aandacht voor begrip en strategie;
- het volgen van groei en het bijstellen van ondersteuning;
- rijke taken waarin leerlingen rekenkennis leren toepassen.
PISA 2025 is daarmee geen reden voor paniek, maar evenmin een reden om achterover te leunen. Nederland rekent internationaal nog bovengemiddeld. De echte uitdaging is ervoor te zorgen dat een sterke rekenstart niet afhankelijk is van geluk, achtergrond of het tempo waarin een kind zich spontaan ontwikkelt.




