Een leerling die moeite heeft om mee te komen, krijgt extra uitleg, meer oefening of aangepaste leerstof. Dat vinden we heel normaal.
Maar wat doen we met een leerling voor wie het onderwijs juist te langzaam gaat?
Dan blijken we soms ineens veel voorzichtiger.
Een klas overslaan? Is dat sociaal-emotioneel wel verstandig? Is een kind daar niet te jong voor? Mist het dan geen belangrijke leerstof?
Een recent opinieartikel in Trouw zet die discussie opnieuw op scherp. De strekking: misschien zijn we in het onderwijs soms te voorzichtig met versnellen.
Het is een actuele discussie, maar de achterliggende vraag is veel fundamenteler:
Wat gebeurt er met een kind wanneer het onderwijs langdurig niet aansluit bij zijn of haar denkniveau?
Verveling is niet altijd onschuldig
Een leerling die de lesstof al beheerst, hoeft niet automatisch probleemloos door zijn schooltijd te gaan.
Wanneer onderwijs langdurig te weinig uitdaging biedt, kan een leerling afhaken. Soms heel zichtbaar, bijvoorbeeld door weerstand, storend gedrag of weinig inzet. Maar het kan ook veel minder zichtbaar gebeuren. Een leerling past zich aan, doet wat gevraagd wordt en laat nauwelijks merken dat het onderwijs niet meer aansluit.
Dat probleem is niet nieuw.
Toen Graviant jaren geleden het boek Denken is leuk! van Laura Groebbé uitgaf, stond eigenlijk dezelfde vraag centraal.
Groebbé beschrijft hoe hoogbegaafde kinderen anders kunnen denken en leren dan leeftijdsgenoten en hoe problemen kunnen ontstaan wanneer hun omgeving onvoldoende op dat denkniveau is afgestemd. Het boek richt zich daarbij niet alleen op prestaties, maar juist ook op het sociaal-emotionele en cognitieve leerproces.
En daarmee komen we bij een interessante vraag:
Kijken we bij passend onderwijs voldoende naar leerlingen die méér aankunnen?
Versnellen is meer dan een klas overslaan
Bij versnellen denken we al snel aan een leerling die bijvoorbeeld groep 5 overslaat en direct naar groep 6 gaat.
Maar versnellen kan veel meer betekenen.
Een leerling kan eerder aan moeilijkere leerstof beginnen, voor één vak op een hoger niveau werken, bepaalde onderdelen sneller doorlopen of daadwerkelijk een groep overslaan.
SLO beschrijft versnellen voor een grote groep (hoog)begaafde en getalenteerde leerlingen als een effectieve onderwijsaanpassing. Dat betekent nadrukkelijk niet dat iedere leerling een klas zou moeten overslaan. De keuze moet individueel worden gemaakt en daarbij spelen onder andere interesses, vaardigheden, sociaal-emotionele ontwikkeling en de mogelijkheden van de school een rol.
De vraag zou daarom niet moeten zijn:
“Is een klas overslaan goed of slecht?”
Maar:
“Wat heeft deze leerling nodig om zich verder te kunnen ontwikkelen?”
Minder van hetzelfde, meer van iets anders
Dat is misschien wel de belangrijkste gedachte.
Een leerling die snel leert, heeft niet automatisch méér werk nodig.
Tien extra sommen van hetzelfde niveau zijn geen verrijking. Nog een werkblad maken omdat je als eerste klaar bent evenmin.
SLO adviseert bij snel lerende leerlingen juist om de reguliere leerstof te compacten: minder instructie, minder oefening en minder herhaling wanneer een leerling de stof al beheerst. De tijd die daarmee vrijkomt, kan worden gebruikt voor versnelling, verdieping of verrijking.
Goede verrijking vraagt vervolgens werkelijk iets anders van een leerling.
Onderzoeken. Verbanden leggen. Een oplossing bedenken. Creëren. Argumenteren. Reflecteren op de eigen aanpak.
Een leerling die gemakkelijk leert, moet óók ervaren hoe het is wanneer een antwoord niet onmiddellijk voor de hand ligt.
Leren denken over je eigen leren
Juist hier ontstaat een opvallende verbinding met Denken is leuk!.
Het boek is niet simpelweg een verzameling moeilijke opdrachten voor hoogbegaafde kinderen. Het uitgangspunt is dat kinderen zelf inzicht kunnen krijgen in hun denk- en leerproces.
Ouders en leerkrachten krijgen handvatten om daar doelgericht met het kind over te communiceren. Wat gaat gemakkelijk? Waar blokkeer je? Hoe pak je een probleem aan? Wat heb je nodig om verder te komen?
Daarmee verschuift de aandacht van alleen wat een leerling leert naar hoe een leerling leert en denkt.
Dat sluit opvallend goed aan bij de huidige aandacht voor metacognitieve vaardigheden in verrijkend onderwijs. SLO noemt reflectie op de eigen aanpak en het ontwikkelen van metacognitieve vaardigheden expliciet als onderdeel van betekenisvol verrijkend onderwijs.
Een boek dat jaren geleden verscheen, raakt daarmee aan een vraag die nog altijd bijzonder actueel is.
En hoe zit het sociaal-emotioneel?
Juist hierover bestaan bij ouders en scholen vaak zorgen.
Een jongere leerling komt na een versnelling immers tussen oudere kinderen terecht. Past die leerling daar sociaal wel tussen?
Dat is een relevante vraag. Maar het mag niet de enige vraag zijn.
Ook het níét versnellen heeft gevolgen.
SLO wijst erop dat hoogbegaafde leerlingen door hun cognitieve voorsprong andere interesses en sociale verwachtingen kunnen hebben dan leeftijdsgenoten. Daardoor kan juist binnen de eigen leeftijdsgroep minder aansluiting ontstaan.
Onderzoek naar versnelde hoogbegaafde leerlingen laat volgens SLO bovendien niet zien dat zij als groep sociaal-emotioneel slechter functioneren. Voor individuele leerlingen blijft een zorgvuldige afweging natuurlijk noodzakelijk.
Kalenderleeftijd alleen vertelt dus niet het hele verhaal.
Van leerjaar naar leerbehoefte
Misschien zit daar wel de interessantste les voor het onderwijs.
Ons onderwijs is voor een belangrijk deel georganiseerd rond leeftijd en leerjaar. Dat geeft structuur en is praktisch uitvoerbaar.
Maar leerlingen ontwikkelen zich niet allemaal in hetzelfde tempo.
De ene leerling heeft voor een onderdeel extra instructie en herhaling nodig. Een andere leerling kan dezelfde leerdoelen veel sneller bereiken.
Digitale leermiddelen kunnen het gemakkelijker maken om binnen een klas verschillende leerstof en niveaus aan te bieden. Niet omdat technologie bepaalt wat een leerling nodig heeft, maar omdat de leerkracht meer mogelijkheden krijgt om het onderwijs daarop af te stemmen.
Een leerling hoeft dan niet automatisch alles op precies hetzelfde moment en op hetzelfde niveau als de rest van de jaargroep te maken.
Passend onderwijs werkt twee kanten op
We spreken veel over differentiatie, kansengelijkheid en passend onderwijs.
Daarbij gaat de aandacht begrijpelijk vaak uit naar leerlingen die moeite hebben met de aangeboden leerstof.
Maar differentiatie heeft twee kanten.
Sommige leerlingen hebben meer uitleg, ondersteuning en oefening nodig. Andere leerlingen hebben juist minder herhaling en méér complexiteit nodig.
Voor beide groepen geldt uiteindelijk hetzelfde uitgangspunt:
onderwijs moet niet vooral aansluiten bij het gemiddelde van de klas, maar zo goed mogelijk bij de ontwikkeling van de leerling.
Een klas overslaan kan daarbij voor sommige leerlingen een passende stap zijn. Voor andere leerlingen zijn compacten, verrijken, vakversnelling of andere vormen van differentiatie geschikter.
Het belangrijkste is dat we geen van die mogelijkheden bij voorbaat uitsluiten.
Want soms zit het risico niet in te snel gaan.
Soms zit het risico juist in een leerling jarenlang laten wachten op onderwijs dat eindelijk weer uitdagend wordt.
Verder lezen: Denken is leuk!
De discussie over versnellen laat zien hoe belangrijk het is om niet alleen naar leeftijd of schoolresultaten te kijken, maar ook naar de manier waarop een kind denkt, leert en zich ontwikkelt.
In Denken is leuk! geeft Laura Groebbé ouders en leerkrachten praktische handvatten om het denk- en leerproces van hoogbegaafde kinderen beter te begrijpen en daarover met het kind in gesprek te gaan.
Het boek besteedt aandacht aan zowel de cognitieve als de sociaal-emotionele ontwikkeling en aan analytische, creatieve en praktische denkvaardigheden.
Denken is leuk! – praktisch handboek voor hoogbegaafde kinderen, hun ouders en leerkrachten
Uitgever: Graviant
Prijs: € 24,50




