Onbegrepen gedrag bij dementie: wat kan iemand emotioneel aan?

Boosheid, onrust, achterdocht of juist terugtrekken kan de omgang met dementie ingrijpend veranderen. Toch is het gedrag dat we zien zelden het hele verhaal. Wie alleen probeert het gedrag te stoppen, kan missen wat iemand lichamelijk, emotioneel of in de omgeving nodig heeft.

Kort antwoord

Onbegrepen gedrag bij dementie kan samenhangen met veranderingen in de hersenen, maar ook met pijn, ziekte, medicatie, prikkels, communicatie, gewoonten of onvervulde behoeften. Goede ondersteuning begint daarom met rustig en concreet observeren, lichamelijke oorzaken controleren en samen onderzoeken wat iemand op dat moment begrijpt, voelt en emotioneel aankan.

Rond Wereld Alzheimer Dag op 21 september is er ieder jaar extra aandacht voor dementie. In 2026 is daar een belangrijke Nederlandse ontwikkeling bij gekomen: de vernieuwde Zorgstandaard Dementie. Daarin staan niet de aandoening of de organisatie van zorg centraal, maar de persoon met dementie, diens naasten en de mogelijkheid om zo goed mogelijk te blijven leven.

Die benadering verandert ook de vraag die we bij moeilijk te begrijpen gedrag stellen. Niet alleen: Hoe krijgen we dit gedrag weg? Maar eerst: Wat gebeurt hier, wat kan de oorzaak zijn en wat vraagt deze situatie van deze persoon?

Wat bedoelen we met onbegrepen gedrag?

Bij dementie kunnen gedrag en emoties veranderen. Iemand kan bijvoorbeeld:

  • rusteloos rondlopen of steeds willen vertrekken;
  • boos, angstig, achterdochtig of ontremd reageren;
  • zorg of hulp afweren;
  • steeds dezelfde vraag stellen of roepen;
  • zich juist terugtrekken en weinig initiatief tonen;
  • anders slapen, eten of contact maken.

De term onbegrepen gedrag maakt duidelijk dat het gedrag niet vanzelf spreekt voor de omgeving. Dat betekent niet dat ieder gedrag een verborgen boodschap heeft die we eenvoudig kunnen ontcijferen. Soms hangt het rechtstreeks samen met veranderingen in de hersenen. Vaak spelen meerdere factoren tegelijk een rol.

Volgens de Zorgstandaard Dementie krijgt meer dan tachtig procent van de mensen met dementie in de loop van het ziekteproces te maken met veranderingen in gedrag. Juist daarom is het belangrijk om niet te snel te oordelen. Woorden als “lastig”, “agressief” of “werkt niet mee” beschrijven vooral hoe het gedrag op anderen overkomt. Ze zeggen nog weinig over wat er precies gebeurde en waarom.

Gedrag heeft vaak meer dan één mogelijke oorzaak

Een plotselinge boze reactie tijdens het aankleden kan ontstaan door pijn, schaamte, kou, een onbekende zorgmedewerker, te veel aanwijzingen tegelijk of het niet begrijpen van de bedoeling. Nachtelijke onrust kan samenhangen met een verstoord dag-nachtritme, maar ook met toiletbezoek, medicatie, angst of te weinig activiteit overdag.

De actuele zorgstandaard en de richtlijn van Verenso over probleemgedrag bij dementie adviseren daarom methodisch en multidisciplinair te werken. Daarbij worden onder meer de volgende gebieden onderzocht:

Gebied Vragen die kunnen helpen
Lichamelijk Is er pijn, koorts, obstipatie, een infectie, honger, dorst, vermoeidheid of een probleem met horen of zien?
Medicatie Is medicatie gestart, gestopt of gewijzigd? Kunnen bijwerkingen of wisselwerkingen meespelen?
Omgeving Is er te veel lawaai, drukte of onverwachte verandering? Of juist te weinig houvast, contact en activiteit?
Contact en communicatie Worden er veel vragen of opdrachten tegelijk gegeven? Sluiten tempo, woorden en benadering aan?
Levensverhaal en gewoonten Past wat we vragen bij iemands vroegere ritme, waarden, voorkeuren, ervaringen en relaties?
Emotionele draagkracht Voelt iemand zich veilig en gezien? Is de situatie te ingewikkeld, te spannend of te veeleisend?

Het ene gebied sluit het andere niet uit. Pijn kan iemand gevoeliger maken voor drukte. Een nieuwe omgeving kan angst oproepen. Door taalproblemen kan iemand niet meer uitleggen wat er dwarszit. Daarom verwacht ook de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd dat zorgteams lichamelijke, psychische, sociale en omgevingsfactoren in samenhang onderzoeken.

Kunnen is niet altijd hetzelfde als aankunnen

Iemand met dementie kan op het ene moment een vraag goed beantwoorden en even later vastlopen in bijna dezelfde situatie. Dat lijkt tegenstrijdig, maar een zichtbare vaardigheid zegt niet automatisch hoeveel spanning, keuzes of verandering iemand emotioneel kan verdragen.

Een open vraag als “Wat wil je vandaag aantrekken?” kan bijvoorbeeld te veel mogelijkheden bevatten. Een keuze tussen twee kledingstukken kan wel lukken. Zelfstandig eten kan aan een rustige tafel goed gaan, terwijl dezelfde handeling in een rumoerige ruimte te zwaar wordt. De vaardigheid is dan niet ineens verdwenen; de belasting en de beschikbare draagkracht zijn veranderd.

De vraag wat kan iemand emotioneel aan? helpt om beter af te stemmen. Daarbij gaat het niet om iemand kinderlijk te benaderen of een vaste “emotionele leeftijd” toe te kennen. Volwassenheid, levenservaring en waardigheid blijven altijd het uitgangspunt. Het gaat erom te onderzoeken hoeveel nabijheid, structuur, keuzevrijheid, uitleg en prikkels op dat moment passend zijn.

Gevoel kan langer blijven dan de herinnering

Naasten en professionals merken soms dat iemand de aanleiding van een gebeurtenis niet meer kan navertellen, maar nog wel verdrietig, gespannen of juist opgewekt is. Een kleine experimentele studie bij zeventien mensen met de ziekte van Alzheimer vond dat opgewekte of verdrietige gevoelens konden voortduren nadat de deelnemers weinig meer wisten van de filmfragmenten die deze gevoelens hadden opgeroepen.

Dat onderzoek is te klein om conclusies over alle mensen met dementie te trekken. Het ondersteunt wel een belangrijk praktisch uitgangspunt: de emotionele invloed van een ontmoeting kan verder reiken dan wat iemand er later bewust over kan vertellen. Toon, tempo, veiligheid en bejegening doen er dus toe.

Zo onderzoek je wat er achter gedrag kan zitten

1. Beschrijf wat je werkelijk ziet

Vervang een oordeel door een concrete observatie. Niet: “Meneer is agressief.” Wel: “Toen ik zijn arm aanraakte om hem te helpen opstaan, trok hij zijn arm terug, riep ‘nee’ en sloeg naar mijn hand.” Noteer wanneer, waar en bij wie het gebeurt, wat eraan voorafgaat en wat erna verandert.

2. Neem een plotselinge verandering serieus

Gedrag dat in uren of dagen duidelijk verandert, vraagt om een tijdige medische beoordeling. Denk bijvoorbeeld aan pijn, een infectie, uitdroging, een val, obstipatie of een effect van medicatie. Neem bij twijfel contact op met de huisarts, behandelaar of verpleegkundig specialist. Bij acuut gevaar is directe hulp nodig.

3. Betrek de persoon zelf

Vraag, voor zover dat mogelijk is, wat iemand ervaart of nodig heeft. Gebruik korte zinnen, geef tijd om te reageren en let ook op houding, gezichtsuitdrukking en beweging. Ga niet automatisch uit van onvermogen omdat iemand woorden moeilijker vindt.

4. Gebruik kennis van naasten

Naasten kennen vaak vroegere gewoonten, voorkeuren, gevoeligheden en manieren waarop iemand spanning liet zien. Hun informatie kan helpen begrijpen waarom een bepaald tijdstip, aanraking, geluid of onderwerp iets oproept. Tegelijk verdient ook de belasting van naasten aandacht.

5. Verander gericht één of enkele factoren

Maak de omgeving rustiger, verlaag het tempo, geef één aanwijzing tegelijk, werk met een vertrouwd persoon of bied een herkenbare activiteit aan. Leg vast wat je verandert en wat het effect is. Zo voorkom je dat losse oplossingen elkaar snel opvolgen zonder dat duidelijk wordt wat werkelijk helpt.

6. Onderzoek samen en blijf evalueren

Complex of aanhoudend gedrag vraagt om samenwerking tussen verzorgenden, arts, psycholoog of gedragskundige, casemanager en naasten. De aanpak wordt vervolgens geëvalueerd en aangepast. Medicatie kan in sommige situaties nodig zijn, maar is geen vervanging voor het onderzoeken en behandelen van mogelijke oorzaken.

Een voorbeeld uit de dagelijkse zorg

Stel: mevrouw De Vries wordt de laatste weken boos tijdens de ochtendzorg. In het dossier staat dat zij “niet wil meewerken”. Het team beschrijft de situaties preciezer en ziet een patroon: de boosheid begint vooral wanneer een medewerker snel meerdere handelingen aankondigt en meteen aan haar kleding komt.

Een lichamelijke controle is nodig omdat mevrouw ook pijn lijkt te hebben bij het bewegen. Daarnaast spreekt het team af dat één medewerker haar rustig begroet, eerst oogcontact maakt, één stap tegelijk uitlegt en haar laat kiezen tussen twee opties. De badkamer wordt vooraf verwarmd. De reacties worden een week lang bijgehouden en met haar dochter besproken.

Dit fictieve voorbeeld laat zien dat een verandering in gedrag niet met één verklaring hoeft te worden opgelost. Mogelijke pijn, communicatie, omgeving en emotionele belasting worden naast elkaar onderzocht.

Wat weten we over een persoonsgerichte aanpak?

Onderzoek in verpleeghuizen laat zien dat een methodische, persoonsgerichte aanpak verschil kan maken, al zijn effecten gemiddeld en niet bij iedereen hetzelfde. In een gerandomiseerde studie in 69 Britse verpleeghuizen verbeterde scholing in persoonsgerichte zorg, gecombineerd met passende sociale activiteiten, de kwaliteit van leven en namen agitatie en andere neuropsychiatrische symptomen bescheiden af.

Ook lichamelijke oorzaken verdienen nadrukkelijk aandacht. In een Noorse studie onder 352 verpleeghuisbewoners met matige tot ernstige dementie nam agitatie af na een stapsgewijze aanpak van pijn. Dat betekent niet dat pijn de oorzaak is van elk gedrag, maar wel dat pijn herkennen en behandelen een wezenlijk onderdeel van de beoordeling hoort te zijn.

Geen enkele methode kan vooraf garanderen wat voor één persoon werkt. Goede dementiezorg blijft daarom een proces van zorgvuldig waarnemen, gezamenlijk interpreteren, proberen en opnieuw evalueren.

Een kleurenprofiel als hulpmiddel voor het gesprek

Amaliazorg ontwikkelde de methodiek Inschatting Emotioneel Functioneren (IEF) voor professionals die mensen met dementie ondersteunen. Het team bespreekt observaties op tien levensgebieden en komt gezamenlijk tot een kleurenprofiel met vijf fasen. Dat profiel kan helpen om verwachtingen, communicatie, nabijheid en activiteiten beter op elkaar af te stemmen.

De methode is ontwikkeld vanuit de zorgpraktijk en is vanaf september 2026 als uitgave bij Graviant verkrijgbaar. Daarbij past een belangrijke grens: het kleurenprofiel is geen medische of psychologische diagnose, wijst niet automatisch de oorzaak van gedrag aan en vervangt geen multidisciplinaire beoordeling. Voor zover in openbare bronnen is na te gaan, is nog geen onafhankelijke, collegiaal getoetste validatiestudie van deze specifieke dementiemethodiek gepubliceerd.

Gebruik het daarom waarvoor het bedoeld is: als gestructureerd hulpmiddel om observaties te delen, verschillen tussen situaties te bespreken en ondersteuning bewuster af te stemmen. Bij nieuwe of ernstige klachten blijven medische en gedragskundige expertise noodzakelijk.

Drie vragen die het verschil kunnen maken

Wanneer gedrag spanning oproept, helpt het om even te vertragen en drie vragen te stellen:

  1. Wat zien we precies, zonder oordeel?
  2. Welke lichamelijke, sociale, omgevings- en emotionele factoren kunnen meespelen?
  3. Wat kunnen wij in onze benadering veranderen en hoe beoordelen we het effect?

Die vragen maken het gedrag niet altijd eenvoudig. Ze helpen wel om de persoon achter het gedrag te blijven zien.

Verder lezen en werken met dit thema

Wie zich verder wil verdiepen, kan bij Graviant terecht voor verschillende perspectieven:

Veelgestelde vragen

Wat is onbegrepen gedrag bij dementie?

Onbegrepen gedrag is gedrag waarvan de oorzaak of betekenis voor de omgeving niet meteen duidelijk is, zoals onrust, boosheid, achterdocht, roepen, zorg afweren of terugtrekken. De term zegt niet dat de persoon zelf “het probleem” is.

Komt veranderd gedrag altijd door de dementie?

Nee. Veranderingen in de hersenen kunnen een rol spelen, maar ook pijn, ziekte, medicatie, vermoeidheid, prikkels, communicatie, veranderingen in de omgeving en onvervulde behoeften. Vaak is er meer dan één factor.

Kan iemand iets verstandelijk nog kunnen, maar emotioneel niet aankunnen?

Ja. Een handeling of antwoord kan in een rustige, vertrouwde situatie lukken en bij spanning, tijdsdruk of veel prikkels niet. Daarom kijk je niet alleen naar vaardigheden, maar ook naar context, belasting en behoefte aan steun.

Wat moet ik doen bij een plotselinge verandering in gedrag?

Laat een duidelijke verandering in uren of dagen tijdig medisch beoordelen. Vooral bij pijn, koorts, sufheid, een val, weinig drinken, acute verwardheid of gevaar neem je snel contact op met een arts of andere passende hulpdienst.

Is een IEF-kleurenprofiel een diagnose?

Nee. Het is een praktijkontwikkeld hulpmiddel waarmee een team observaties over emotioneel functioneren ordent en bespreekt. Het vervangt geen medische, psychologische of multidisciplinaire diagnostiek.

Waarom zijn naasten belangrijk bij het begrijpen van gedrag?

Naasten kennen vaak iemands levensverhaal, gewoonten, voorkeuren en eerdere reacties op spanning. Die kennis kan helpen om patronen te herkennen en ondersteuning persoonlijker te maken.

Bronnen

Bronnen gecontroleerd op 6 september 2026. Dit artikel biedt algemene informatie en vervangt geen persoonlijke medische of psychologische beoordeling.